De Parketschavers van Gustave Caillebotte

Tanig zijn ze, de parketschavers van Gustave Caillebotte. Tanig en gespierd. Het gedempte ochtendlicht valt door het raam met het fraai versierde balkon. Buiten hangt een dunne, broeierige mist, de zon filtert er net doorheen. Het is klam, de mannen werken ontbloot.

De nog onbewerkte stukken van de vloer glimmen, de geschuurde delen zijn dof. Met z’n drieën zijn ze. Levend in een tijd waar dergelijk werk nog niet mechanisch verricht wordt. Op hun knieën, voorover geleund, schaven ze met lange, stevige halen de lak van de vloer. De zojuist verwijderde krullen hout en oude lak in slordige hoopjes verzameld tussen kaal en niet kaal. Flinterdun. Zo’n vloer kan vele behandelingen mee als je het maar door vaklieden laat doen. De wanden zijngelambriseerd, het huis oogt rijk. Hier wonen mensen van stand. Mensen die nooit op hun knieën zullen hoeven zitten of gereedschap vasthouden. Misschien zijn ze aan het verhuizen. De vloer ontdaan van oude meubels, oude kleden, oude bewoners. Een huis in afwachting van wat komen gaat, tussen twee levens in. Een nieuw huishouden. Nieuwe geluiden, nieuwe geuren, nieuwe wetten, een andere smaak. Maar eerst moet het parket geschuurd. Secuur, egaal, glad. Geen foutje is toegestaan, want dan zullen de mannen er ongetwijfeld van lusten. Zij staan onderaan de ladder, de toekomstige bewoners bovenaan.

 

Af en toe komt de dame langs. Zogezegd om het werk te beoordelen, maar eigenlijk komt ze voor hen. Voor het licht dat over hun zwoegende ruggen speelt, hoe het donkere gebogen spoortjes trekt langs hun ribben, trillingen veroorzaakt rond de spiertjes in hun nek. De wijde, zwarte broeken los om hun heupen. Ze ruikt hun zweet, vermengd met het vers geurende hout. Ze hoort hun gesteun, hun gezucht tijdens het werk, ze ziet de druppels van hun voorhoofd vallen, donkere vlekjes achterlatend op de kale vloer. Onder hun oksels kijken ze elkaar heimelijk aan. Af en toe werpen ze een blik op haar. Een glimlach. Een knipoog. Niet meer, meer hoort niet. Ze heeft wijn meegenomen, en glazen. Of ze wat lusten. Nu en dan moet je even rusten, nietwaar? Het is zwaar werk, dat begrijpt ze wel. Ze schenkt in. De mannen drinken, lachen, praten met elkaar, kijken haar vriendelijk aan maar proberen niets. De kloof is te groot. Ze ziet hun jonge gezichten, hun gladde smalle kaken, de donkere fluwelen ogen, de lange wimpers. Hun slanke halzen met de adamsappels, zoals alleen jonge mannen adamsappels kunnen hebben. Ze luistert naar hun rustige conversatie, hun grapjes. Zelf zegt ze niets. Behalve dat het opschiet, ze doen goed werk, dat ziet ze wel. Dan moeten ze verder. We worden niet betaald om wijn te drinken mevrouw, maar wel bedankt. Ze knielen weer neer en het werk gaat verder.

 

Tegen de tijd dat de mist zal zijn opgetrokken, de zon na een dag broeierige hitte aan zijn neerwaartse tocht begint en hun lichamen lange schaduwen zal doen werpen over de vloer, achter de huizen zal verdwijnen waarna de schemering een hete nacht aankondigt, alweer, dan zullen alle vloeren in het huis kaal zijn. Klaar voor de behandeling: het lakken, de volgende dag. Ze zullen hun hemden aantrekken, hun broeken opsjorren, hun spullen bij elkaar pakken, de halfvolle fles wijn, en vertrekken. Vertrekken naar hun eigen huizen, scheef en groezelig in de smalle arme straten van Parijs. Met de vieze houten vloeren vol muizenkeutels en de kale, smerige muren. En ze zullen aan hun wankele tafel zitten, de glazen inschenken, een brood breken en het dopen in de wijn. En geen moment zullen ze meer denken aan de dame in haar mooie jurk, die thuis op haar zachte sofa zit en langs haar boek sombere blikken werpt op haar dikke, lelijke echtgenoot.


 »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.