De mijnen van Belgisch Limburg

Afstand: 50 km  /  duur: 10.00 -17.00 uur


Behoudens twee mijnbouwmonumenten, het gebouw van de Nulland Schacht te Kerkrade (de gele toren), en de gebouwen van Schacht II van de Oranje Nassau Mijn te Heerlen, zijn alle bovengrondse werken van de Nederlandse mijnen afgebroken. De mijnterreinen hebben na sanering van de grond alle een andere grond alle een andere bestemming gekregen (industrieterrein, woonwijk, etc.). Ook de meeste mijnsteenbergen (terrils) zijn uit het Limburgse landschap verdwenen. Na sluiting van de mijnen in Limburg is men nieuwe industrieën gaan ontwikkelen. Een van de zwaartepunten in die ontwikkelingen was de petrochemische industrie, die werd opgezet onder de vlag van het oude mijnbouwbedrijf DSM.          


1  > Winterslag
2 > Beringen
3 > Waterschei
4 > Zolder
5 > Zwartberg
6 > Eisden
7 > Houthalen

 Hoe anders ligt het in België. Als we nu door de mijnstreek van Belgisch Limburg rijden zien we her en der weleens een liftschacht opduiken. De namen van de mijnen klinken bekend maar wat is de status nu in 2016 en is er nog een toekomst? Het waren er zeven:
•    de steenkoolmijn van Zwartberg, productie vanaf 1925 tot 1966
•    de steenkoolmijn van Waterschei, productie vanaf 1924 tot 1987
•    de steenkoolmijn van Eisden, productie vanaf 1923 tot 1987
•    de steenkoolmijn van Winterslag, productie vanaf 1917 tot 1988
•    de steenkoolmijn van Beringen, productie vanaf 1922 tot 1989
•    de steenkoolmijn van Houthalen, productie vanaf 1938-1939
      (fuseerde in 1964 met Zolder) tot 1992
•    de steenkoolmijn van Zolder, productie vanaf 1930 die als laatste sloot op 30 september 1992

De ontwikkeling van de steenkoolmijnen betekende een keerpunt voor de Belgische-Limburgse industriële ontwikkeling. Het arme, nog 19e eeuwse gebied werd bereikbaar gemaakt door de aanleg van autowegen, spoorwegen en het Albertkanaal.
De maximale tewerkstelling werd bereikt tijdens de Wederopbouwperiode van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Er werkten toen  44.000 mensen in de Limburgse mijnen. Om arbeidskrachten aan te trekken en te behouden moesten tal van voorzieningen worden gebouwd en werden al vanaf 1945 Italiaanse gastarbeiders aangetrokken. Vanaf 1956, toen de mijnramp in Marcinelle plaatsvond, werden ook Spanjaarden en Grieken geworven, vanaf 1960 gevolgd door Turken en Marokkanen. Dit maakte dat de mijnstreek een sterk multicultureel karakter kreeg. De productie bereikte zijn hoogtepunt in de jaren 1950. In 1958 brak echter de Internationale Kolencrisis uit en werden door de EGKS productiebeperkingen opgelegd. Enige verlichting bracht de oliecrisis van 1973, maar de verliezen in de mijnbouwsector namen steeds meer toe.
De mijn van Houthalen werd in 1964 gesloten als eerste Belgische mijn, nadat ze al was gefusioneerd met die van Zolder. Twee jaar later werd ook de mijn van Zwartberg gesloten, waar toen 4000 mensen werkten. De Belgische regering had deze sluiting aangekondigd samen met die van enkele Waalse mijnen. Ze had echter niet gerekend op het protest en de woede van de met ontslag bedreigde Limburgse mijnwerkers. Een betoging van mijnwerkers vanuit Zwartberg naar de mijn van Waterschei om hun collega's daar om solidariteit te vragen liep uit op een bloedbad. Uniek is de reportage Mijnalarm (1966) van Maurice de Wilde rond deze mijnwerkers staking in Zwarberg. Na meer dan 25 jaar krijgen de verhalen weer kleur bij een bezoek aan de mijnstreek, om de mogelijkheden die hedendaagse invullingen kunnen bieden. Recent heeft de Vlaamse regering 81 miljoen uitgetrokken om Limburg uit het slop te halen na de sluiting van Ford Genk. Er komt ook geld van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). De ambitie is hoog, men wil 10.000 banen creëren, dit getal komt ‘niet toevallig’ overeen met de 10.000 banen die verloren zijn gegaan toen Ford-Genk in 2014 haar deuren sluit.


1 > Winterslag

Geschiedenis
De mijn van Winterslag mag de oudste Limburgse mijn worden genoemd, aangezien zij als eerste van het Kempische bekken de productie begon. Dat was in 1917. De concessie ‘Genck-Sutendael’ was op 3 november verleend aan de groep Coppée, Warocqué en Orban, dit waren drie mijneigenaars uit het Centrumbekken in Henegouwen. De totale oppervlakte was 3800 hectare. Al snel werd beslist om de uitbating over te laten aan het consortium rond Evence Coppée, maar in 1912 bleek een kapitaalsuitbreiding nodig. De Franse staalgroep Schneider kreeg vanaf dat moment 40% van de aandelen in handen, en de mijn heette vanaf toen officieel ‘S.A. Charbonnages de Winterslag’.

Het feit dat de mijn van Winterslag als eerste begon met de productie van steenkool had verschillende redenen: de moeilijkste Herviaanse drijfzandlagen bevonden zich hier niet boven de kolenlagen, zoals dat elders wel het geval was. Qua veiligheid had de mijn aanvankelijk een zeer slechte reputatie, de mijn van Winterslag telde het grootste aantal ongevallen van het hele Kempens bekken, maar later veranderde dit en werd ze net de veiligste en sociaal best voorziene mijn in Limburg. Niet minder dan vier productieverdiepingen werden uitgebaat: op 600, op 660, op 735 en tenslotte op 850 meter diepte werden er kolen gewonnen. Het jaarproductierecord werd bereikt in 1967 met 1.635.514 ton steenkool. Toen de mijn in 1988 na 71 jaar productie dichtging, waren niet minder dan 66.593.000 ton kolen gedolven. Qua tewerkstelling bereikte Winterslag zijn hoogtepunt in 1953 met 6.250 mijnwerkers.

In 1960 werd de mijn van Winterslag opgeslorpt door het Waalse staalbedrijf Espérance-Longdoz, dat een paar jaar later op zijn beurt werd overgenomen door staalreus Cockerill. In 1967 tenslotte ging Winterslag, net als de andere overblijvende Limburgse mijnen, op in de pas gevormde KS oftewel Kempense Steenkolenmijnen. In 1985 werd voor het eerst gesproken over een sluiting van Winterslag of een fusie met de mijn te Waterschei, maar uiteindelijk zouden in 1987 veel drastischere beslissingen worden genomen. Op 1 april 1988 werd de allerlaatste steenkoolwagen in Winterslag naar bovengehaald. Het was meteen de sluiting van de laatste Genkse mijn, na Zwartberg en Waterschei.

Reconversie
De C-Mine in Genk Winterslag zou men kunnen beschouwen als de Vlaamse variant van Le Grand-Hornu in de provincie Henegouwen. Ook in deze site met zijn indrukwekkend industrieel mijnerfgoed moest men met respect voor het verleden aan een volledig nieuw maatschappelijk en economisch bestaan gaan werken. De uitdaging: C-mine als het nieuwe culturele hart van Genk en zelfs van Belgisch Limburg!              

Meerdere projecten zijn hiervoor al gerealiseerd zoals Euroscoop, de MAD-faculty; een Academische opleiding voor creativiteit, communicatie en onderzoek. Creativiteit als de motor voor de toekomst. Men is nog doende met de ontwikkeling van de energiegebouwen, waarin een C-mine cultuurcentrum en een designcentrum zijn opgenomen. Er zijn ook seminarieruimtes en er is een toeristisch onthaal.

De energiegebouwen van de mijn zijn sinds enige tijd omgetoverd tot een trendy brasserie waar men lekker kan eten en ook: enthousiaste mensen en multicultureel! Brasserie Basic ligt links van de ingang van C-Mine. Ook in de oude badzalen van de mijn kan worden gegeten; hier vinden we ‘Ciné Città’ terug, een Italiaanse eetgelegenheid. ’s Avonds op de site van de C-mine baden de twee schachtbokken als reusachtige robots in het witte licht van LED-armaturen Treffender kan men het verleden van de mijn met zijn veelal Italiaanse gastarbeiders niet verwoorden; ‘tussen realiteit en film’.


2 > Beringen

Geschiedenis
De mijnsite van Beringen is het grootste en belangrijkste industrieel erfgoed van Vlaanderen en tevens de grootste bewaarde site in Europa. Hier is ook het Vlaams Mijnmuseum gevestigd waar is te zien hoe het mijnverleden er in deze mijn uitzag. Medio juli 2007 werd de Mijnsite van Beringen gekozen door het European Route of Industrial Heritage geroemd vanwege de sterkte en unieke karakter van de site en de overweldigende authenticiteit van haar gebouwencomplex. 

In 1906 werd concessie verleend voor de winning van steenkool, waartoe in 1907 de Société Anonyme Charbonnages de Beringen werd opgericht en met de bouw van de mijnschachten werd begonnen. Zo ontstond de Steenkoolmijn van Beringen, waar in de hoogtijdagen ruim 6000 mensen werkten. Al deze mensen moesten wonen, waartoe, vanaf 1908, woningcomplexen werden opgetrokken en een fabrieksnederzetting (cité) ontstond. Om mensen te trekken moesten goede voorzieningen worden geboden. De mijn voorzag daarin, wel waren de bewoners volledig afhankelijk van de mijn; als men het werk verloor, moest men verhuizen. En natuurlijk was er ook de hiërarchie zichtbaar. De gewone mijnwerker woonde aan de kant van de terrils tussen de spoorrails voor het transport van de steenkolen, aan de andere zijde van de hoofroute door Beringen woonde het hogere opgeleide technische personeel.

In Beringen getuigen de Sint-Theodarduskerk, de mijnkathedraal, gebouwd tussen 1939 en 1943, van het katholieke verleden van de mijnwerkers. Henry Lacoste is de architect van twee van de zeer indrukwekkende ‘mijnkathedralen’ in Limburg, de kerken van Zwartberg (1937-41) en deze van Beringen (1938-43). De zeer zorgvuldige detailleringen is een bewijs van groot vakmanschap. In de werkplaatsen van de mijnen hebben mijnwerkers de glas-in-loodramen vervaardigd. De dichtbijgelegen Fatih-moskee getuigt van de verschillende geloofsovertuigingen. Deze Turkse moskee geeft een uniek accent aan de multiculturele uitstraling van Beringen. Het speciale karakter van het interieur wordt bepaald door de mooie hand geschilderde wandtegels. Multicultureel is deze streek nog steeds met voornamelijk Turken en Italianen. 

Reconversie
Oud-Burgemeester Mondelaers van Beringen droomde hardop van een groot opschrift op de vlakbij gelegen terril: ‘Zoiets als de Hollywood-letters in Los Angeles.’ Na jaren van stilstand en verwaarlozing hebben projectontwikkelaars en een investeringsmaatschappij een restauratieprogramma voor de mijngebouwen in Beringen ontwikkeld. Men wil een deel van het industriële erfgoed met onder meer de kolenwasserijen slopen en er een enorm shoppingcenter van maken. Gelukkig zijn deze ontwikkelingen van de baan en is er weer sprake van een veel realistischer visie op de toekomst. Er komen (riante) woningen op het Houtpark, er komt een nieuw gemeentelijk zwembad binnen het mijngebied, waarbij men gaat onderzoeken of het water in de ondergrondse mijngangen kan dienen voor de verwarming van het project. 


3 > Waterschei

Geschiedenis
Voor men de productie van de mijn kon starten (1924) moest men voor huisvesting zorgen voor het nieuwe personeel. De mijngebouwen en cité van Waterschei worden grotendeels in eenzelfde, herkenbare stijl opgetrokken, naar de ontwerpen van de zeer vakkundige architect Gaston Voutquenne (1882-1940) de architect van de ‘De Société Anononyme André Dumont-sous-Asch’, later afgekort tot ‘Charbonnages André Dumont’. Blikvanger van de bedrijfsgebouwen is het hoofdgebouw (1920-1924), waarbij sobere art-deco elementen en een opvallende toren het uiterlijk bepalen. Voor zijn komst was men voor de oorlog reeds begonnen met de aanleg van de cité volgens een strak rasterschema met evenwijdig lopende straten. Door beperkte financiële middelen en de Eerste Wereldoorlog kwamen de bouwactiviteit echter tot stilstand. In de jaren 1920 werd de uitbouw van de mij cité hervat, nu naar de plannen van Gaston Voutquenne. Het strakke rasterplan van de cité industrielle werd door Voutquenne omgetoverd tot een meer harmonisch geheel van de cité-jardin. Deze site kan men beschouwen als de meest compacte vorm van de mijnsites die we hebben bezocht.

Het hoofdgebouw dateert van 1924 en is sinds 1993 een beschermd monument. Het betonskelet is gebouwd in een sobere Art Deco stijl, het toont zich als ware als een ‘kathedraal van de industrie’. De ontvangstgebouwen opgetrokken onder en tussen de benen der schachtbokken: indrukwekkende en decoratieve vormgeving van het gewapende betonskelet, zijn eveneens ontworpen door Gaston Voutquenne. Ook de mijnkathedraal gebouwd in 1935-1936 is van de hand van deze architect. Beide ontvangstgebouwen zijn in het noorden met elkaar verbonden door middel van een betonnen passerel voor personen en mijnwagentjes (1925). Functioneel is het gebouw  geconcentreerd rond drie met glazen bovenlichten afgedekte hallen. Aan de linkerzijde  (het westen), administratie- en directieburelen en technische diensten op twee niveaus geconcentreerd rond indrukwekkende representatiehal. Centraal bevindt zich de Sint-Barbarahal, of hal der ondergrondse mijnwerkers, overdekt door indrukwekkend metalen spanten met glazen bovenlichten. 

Reconversie
Meer dan 25 jaar na de sluiting van de mijn krijgt de Mijnsite van te Waterschei een nieuwe naam: Het Thor park. Tot 1988 heette de voetbalvereniging hier Waterschei SV Thor. Opgericht in 1919 als  Waterschei’s Sport Vereeniging Thor. Thor betekent ‘Tot Herstel Onzer Rechten’ als aanklacht tegen de Franstalige overheersing van het mijnbestuur. De clubkleuren waren dan ook niet toevallig geel en zwart. Het speelde in 1983 nog een zeer memorabele wedstrijd tegen Paris Saint Germain en won die ook met Lei Clijsters in de gelederen en Rik de Saedeleer als legendarische commentator.

Een hoogwaardig bedrijvenpark, waarbij een uitgesproken duurzaamheidsgedachte de kern vormt van de ontwikkeling. Het centrale deel van het mijnterrein moet zijn industrieel-archeologische eigenheid bewaren. SATIJNplus Architecten heeft deze bijzondere opdracht verworven en zijn in 2012 gestart met de voorbereidingen. De beide terrils, de mijngebouwen en de specifieke vegetatie op het terrein fungeren als onderlegger voor het nieuwe landschapspark. 


4 > Zolder

Geschiedenis
André Dumont ontdekte in 1901 steenkool in de toen economisch sterk achtergebleven provincie Limburg. De concessies Zolder en Helchteren die hier werd verleend op 25 oktober 1906 waren de grootste van dit steenkoolbekken. De aandeelhouders waren rijke Belgische industriëlen die de exploitatiemaatschappij Société Anonyme Charbonnages d'Helchteren et Zolder oprichtten.

De directie had al in 1913 plannen om een tuinwijk met meer dan duizend woningen te bouwen. Dat plan kon men niet realiseren omwille van de sterk gestegen grondprijzen einde jaren 1920. Men beperkte zich tot de bouw van twee zeer compacte wijken, de cité Mommenplas en de cité Onder de Poort of Op ’t Eind. Vanaf het begin werkten er naast vele Belgen ook migranten afkomstig uit Centraal- en Zuid-Europa, na de Mijnramp van Marcinelle in 1956 kwamen er Turken en Marokkanen. In 1964 fuseerde de steenkoolmijn van Houthalen met Zolder na tussenkomst van de Société Générale, eigenaar van beide vestigingen. Het begin van het einde voor de steenkoolproductie in België viel in de jaren vijftig van de vorige eeuw door de concurrentie van goedkopere steenkool. De eerste Limburgse mijn die sloot was de steenkoolmijn van Zwartberg in 1966, Zolder ging als laatste dicht op 30 september 1992.

Reconversie
In het voormalig badhuis van de mijn is nu het Centrum voor Duurzaam Bouwen gevestigd.. De grondige restauratie van het gebouw voegt aan de buitenkant alleen een glazen entreehal toe. Er  zijn verschillende zeer geslaagde innovaties op het gebied van klimaatregelingen bedacht: het gebouw levert nu energie! Het ophaalmachinegebouw wordt ‘De Verdieping’, een multifunctioneel pand met ruimte voor onder meer een passiefschool. In een van de gebouwen is ook een recyclagecentrum gevestigd, kortom duurzame en geleidelijke ontwikkelingen. Om de twee weken op woensdag is het plein tussen de mijngebouwen, het decor van een multiculturele markt. 

De mijnterril ten noorden van de mijn is ongeveer 155 m hoog en verheft zich 80 m boven de omgeving. Van hieruit ziet van de terrils van Beringen en Waterschei boven het vlakke Kempische landschap uitsteken. In de bodem komt veel leisteen voor, materiaal dat rijk is aan mineralen de ideale  voedingsbodem voor specifieke plantengroei. De terril maakt deel uit van het natuurreservaat Vallei van de Helderbeek dat op zijn beurt deel is van de Vallei van de Zwarte Beek. Hij is gelegen op de westrand van het Kempens Plateau. De begrazing door schapen zorgt er voor dat de heide stand houdt. Deze terril is ook belangrijk voor vogels zoals de nachtzwaluw en de boomleeuwerik die hier komen broeden. Er is ook een terril wandeling voorhanden, te verkrijgen in het ‘Café den Lavaar’ gelegen aan het plein tussen de gerestaureerde mijngebouwen.


5 > Zwartberg

Geschiedenis
Zwartberg is voor 1900 een desolaat gebied en niet meer dan een begroeide duin. Met de ontdekking van de eerste steenkool in de Limburgse ondergrond zal dit voorgoed veranderen. In 1906 werd de mijnconcessie Les Liégois en Campine toegekend aan drie vennootschappen uit het Luikse steenkoolbekken, met John Cockerill als belangrijkste aandeelhouder.

De eerste kolenlaag wordt in februari 1920 aangeboord en in 1924 komt de kolenproductie op gang. De mijnzetel blijkt niet zo gelukkig te liggen door de nabijheid van een storing in de ondergrondlagen. Hierdoor moeten vijf productieverdiepingen ingericht worden met de vijfde op een diepte van 1010 meter. Dit dwingt de mijndirectie - wil een optimale productie gegarandeerd worden - blijvend te innoveren en te investeren. Hierdoor zal de mijn van Zwartberg bekend worden als de modernste en best uitgeruste mijn. Dit weerhoudt de directie niet om in 1966 de mijn te sluiten na saneringen opgelegd door de E.G.K.S. (Europese Kolen en Staal Gemeenschap). De sluiting stuit op hevig protest van de mijnwerkers, waarbij negen politiekogels twee mensen doden en twee mensen gewond raken. Door de vroege sluiting is er van de oorspronkelijke mijngebouwen weinig overgebleven hier in Zwartberg. De afwezigheid van deze fysieke restanten is wellicht de reden dat er aan reconversie hier weinig te bespeuren valt.

Reconversie
De meest imposante getuigenis van het ‘rijke’ mijnverleden in Zwartberg is ongetwijfeld de Sint-Albertuskerk, naar een ontwerp van de Vlaamse Architect Henri Lacoste (1885-1968). Lacoste, opgeleid in de traditie van (oh ironie) de Ecole des Beaux-Arts van Parijs, ontwierp twee mijnkathedralen in de Limburgse mijnstreek. Tussen 1937 en 1941 werd deze de Sint-Albertuskerk gebouwd en tussen 1939 en 1943 werd de Sint-Theodarduskerk te Beringen-Mijn. De kerk toont zich als een zware vrij sombere zaalkerk, imposant in het gebruik van bakstenen.

Ook de voormalige directeursvilla (1925) is bekend. Deze villa is gelegen in een  geklasseerde villa ingeplant op een hoekperceel aan het westelijk uiteinde van de monumentale Marcel Habetslaan nr.58 van de tuinwijk in Zwartberg, waar tot 1998 de Limburgse Zoo onderdak vond. Wat op zich een kansrijke onderneming zou kunnen worden (zie de Beekse Bergen) groeide hier uit op een drama. De oude directeurswoning van de mijncité van Zwartberg (Genk) wordt in de volksmond ook wel ‘Kasteel van de Mijnen’ of de ‘Villa van Zwartberg’ genoemd. De woning dateert uit 1925. In 2005 werd de woning, met de voortuin, de oprit en de afsluiting, beschermd als monument. Recent werd de woning aangekocht door het Genkse stadsbestuur, dat het gebouw ook liet renoveren.


6 > Eisden

Geschiedenis
Vlak voor de Eerste Wereldoorlog verscheen er buiten het dorp Eisden, aan de overkant van de Zuid-Willemsvaart, in het heide- en bosgebied de steenkoolmijn van Eisden, toen ‘Charbonnage Limbourg-Meuse’ genoemd, die in 1923 steenkool begon te produceren. De concessie Sainte-Barbe - 2170 hectare - was op 29 november 1906 verleend en op 20 mei 1919 samengevoegd met de concessie Guillaume Lambert van 2740 hectare, later uitgebreid tot 5408 hectare. De mijnmaatschappij liet er ook een tuinwijk bouwen voor de arbeiders en hun families. Ze inspireerde zich daarbij op de Garden City, een stedenbouwkundig concept dat in het 19de eeuwse industriële Engeland was ontwikkeld met de tuinsteden Port Sunlight en Letchworth als voorbeeld. Men verliet de idee om de wijk hiërarchisch op te delen voor de directeur, de ingenieurs, de bedienden en de arbeiders. De grootte van de percelen en het overwegend gebruik van twee onder een kap woningen maakten deze tuinwijk tot een van de fraaiste wooncites.

In 1936 werd in Eisden-Tuinwijk de mijnkathedraal van architect Auguste Van den Nieuwenborg gewijd aan Sint-Barbara, de ‘patrones’ van de mijnwerkers, plechtig in gebruik genomen. Ook hier is de kerk imposant vanwege het gebruik van donkerbruine bakstenen. De cité, zoals de tuinwijk ook genoemd wordt, is de bakermat geworden van een multiculturele samenleving met mensen uit Centraal en Oost-Europa, en vanaf de Tweede Wereldoorlog ook migranten afkomstig van rond de Middellandse Zee. Dat Belgen niet happig waren om in de mijn te werken was vooral te wijten aan de, wat zij vonden, sterk hiërarchische gerichte Franstalige bedrijfsvoering.

Reconversie
Tegenwoordig ligt in Eisden het belangrijkste commerciële centrum van het Limburgse Maasland. Op het vroegere mijnterrein, omgedoopt tot Leisure Valley, is in 2001 het zeer succesvolle outlet-center Maasmechelen Village verrezen. En nu heeft Center Parcs ook interesse om een vakantiepark te bouwen rond een van de mijnterrils in Eisden en Lanklaar. Als de plannen doorgaan komt hier ook de Hoofdpoort naar het Nationaal Park Hoge Kempen. Het park van ruim 5500 ha ligt hier in de provincie Limburg op het grondgebied van de gemeenten As, Dilsen-Stokkem, Genk, Lanaken, Maasmechelen en Zutendaal.

De Hoge Kempen, of het Kempens Plateau, is eigenlijk een enorme hoop puin gevormd door keien en stenen uit de Ardennen, die tijdens de IJstijd door de Maas zijn afgezet in het zuidoosten van de Limburgse Kempen en later door zeewinden bedekt zijn met zand. Daarna ontstond een nieuwe, relatief diep uitgesleten vallei waar de Grensmaas zich een weg zocht door haar eigen puin. De overgang naar het Kempens Plateau, westelijk van de Maasvallei, is een interessant gegeven, het is erg steil met een hoogteverschil van gemiddeld 45 meter en loopt van Opoeteren bij Maaseik in het noorden tot Gellik bij Lanaken in het zuiden.


7 > Houthalen

Geschiedenis
Van alle Limburgse mijnen was die van Houthalen degene met het kortste zelfstandige bestaan: de mijn begon de productie pas in 1939, maar reeds in 1964 fuseerde ze met de mijn van Zolder, wel zou  het in gebruik blijven tot 1992. Op 6 november 1911 werd de concessie Houthalen toegekend aan drie groepen, en vanaf 1920 af aan de ‘S.A. des Charbonnages de Houthaelen’. De oppervlakte bedroeg 3250 hectare. Het duurde tot 1926 eer de bouwaanvraag werd ingediend, en pas in 1930 begon men met het bevriezen van de schachten (om geen last te hebben van het water bij de boorwerkzaamheden). De voornaamste mede-eigenaars waren de Société Générale, Eelen-Asch, Mutuelle Mobilière et Immobilière, en de staalgroepen Forges de Clabecq, Providence en Ougrée-Marihaye. In 1939 startte  men met de productie. De mijn telde drie productieverdiepingen, één op 700 meter, één op 810 meter, en de na de fusie met Zolder aangelegde verdieping, 1050. 

In haar vijfentwintigjarig zelfstandig bestaan haalde de mijn van Houthalen in totaal 21.677.000 ton steenkool boven, met als recordjaar 1956, toen er 1.281.400 ton steenkool werd bovengehaald. De maximale tewerkstelling bedroeg 4.908 mijnwerkers, in 1957. Alle cijfers van na 1964 worden geteld als onderdeel van de steenkolenmijn van Zolder. De kolenreserves bleken beperkt, en aangezien de mijn van Houthalen, net als die van Zolder afhing van de Société Générale, werd besloten tot een fusie in 1964. Er werd een verbindingsgang gegraven tussen de twee mijnen, en nadien werden de Houthalense schachten enkel nog gebruikt voor materiaalaanvoer, het bovenhalen van steenafval en de ondergrondse verluchting van de fusiemijn. De sluiting van de mijn van Zolder in 1992 betekende meteen ook het einde voor Houthalen.

Reconversie
Het mooie eenvoudige bakstenen hoofdgebouw van de Kempische Steenkoolmijnen valt onder beschermd erfgoed en is ontworpen door de Waalse architect Joseph André. De herbestemmingen die hier plaatsvinden vallen onder de noemer GreenVille. Groen is ook hier de sleutel  voor de toekomst.

 

Het voormalige hoofdgebouw is omgevormd tot een bedrijvencentrum met kantoorruimte, vergader- en seminarieruimte, centrale dienstverlening én een bezoekerscentrum voor groene bedrijven. De eerste realisatie op de voormalige mijnsite is een Nieuw gemeentelijk Administratief Centrum (NAC) een gemeentelijk dienstencentrum. Door zijn ligging vormt het NAC min of meer de poort naar de  mijnsite, waar de komende jaren heel wat bouwactiviteit te verwachten valt: naast een nieuwe woonwijk komt hier een CleanTech Campus en een administratieve site. Als een van de eerste realisaties op deze locatie, moest het NAC een voorbeeld zijn voor het nieuwe stadsdeel.